Natuurcompensatie

Wanneer bij wegenprojecten schadelijke effecten op beschermde natuurwaarden niet kunnen worden voorkomen (b.v. door verlegging van een gepland traject) of beperkt (door verzachtende maatregelen zoals oversteekplaatsen voor dieren), moet beschadigde natuur gecompenseerd worden. Dit staat in het Structuurschema Groene Ruimte (SGR) (1993).

De compensatie hoeft niet per se door Rijkswaterstaat zelf uitgevoerd te worden. Wél is Rijkswaterstaat als initiatiefnemer van wegenprojecten er verantwoordelijk voor dat die maatregelen worden uitgevoerd.

Het compensatiebeginsel schrijft voor dat er geen ruimtelijke activiteiten in beschermde gebieden mogen plaatsvinden, tenzij daar noodzaak toe is: het zogenaamde 'nee, tenzij'-principe. Dit houdt in dat een afweging moet worden gemaakt tussen nut en noodzaak van de betreffende activiteit (bijvoorbeeld de aanleg van een weg) ten opzichte van de aantasting van natuur. De uitkomst van deze afweging bepaalt of een activiteit al dan niet mag doorgaan. 

Compensatie kan bestaan uit het verbeteren van de bestaande leefgebieden van planten- en diersoorten die schade ondervinden van het project, of uit het ontwikkelen van nieuwe leefgebieden. Het verwerven (indien nodig), inrichten en langdurig beheren van de daarvoor aangewezen gronden hoort ook bij de compensatie. Tot nog toe worden de gronden en het beheer overgedragen aan natuurbeschermingsorganisaties. 

Inmiddels heeft Rijkswaterstaat ruim tien jaar ervaring met natuurcompensatie conform het SGR. Sinds 2000 heeft Nederland – en daarmee ook Rijkswaterstaat - op indringende wijze te maken gekregen met de effecten van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn. Deze richtlijnen zijn in Nederland verwerkt in de (Nieuwe) Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet. De regels om te bepalen of er werkzaamheden moeten plaatsvinden in gebieden die in het kader van deze richtlijnen zijn aangewezen, zijn nu veel strenger. Ook hier is natuurcompensatie, als laatste stap van drie, aan de orde. 

Compenserende maatregelen, zoals het realiseren van poelen voor amfibieën kunnen ook voorwaarde zijn voor een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet.